KANAE

Natuur

40 items

  1. 030 Hoe rijper de rijstaar, hoe dieper hij het hoofd buigt.
  2. 101 Over de maan de wolken, over de bloesems de wind.
  3. 102 Sneeuw breekt de wilg niet.
  4. 104 Een berg is niet edel omdat hij hoog is.
  5. 106 De herfstzon valt als een emmer in de put.
  6. 109 De rivier stroomt zonder ophouden, en toch is het nooit hetzelfde water.
  7. 110 Sneeuw is een brief, gezonden uit de hemel.
  8. 111 Moet je de bloesems alleen in volle bloei bekijken, de maan alleen zonder wolk?
  9. 126 Eén blad valt, en men weet dat de herfst over de wereld komt.
  10. 135 Ploegen bij zon, lezen bij regen.
  11. 136 Bloemen, vogels, wind, maan.
  12. 160 Oude vijver — een kikker springt erin, geluid van water.
  13. 161 Wat een stilte — het lied van de cicaden dringt de rotsen binnen.
  14. 162 De junigenregens verzamelend stroomt snel de Mogami.
  15. 164 Musjes, opzij, opzij! Het paard komt voorbij.
  16. 165 Een winde heeft mijn putemmer gegrepen — ik vraag water bij de buren.
  17. 167 Lentezee — heel de dag deint ze, deint ze zachtjes.
  18. 168 Koolzaadveld — de maan in het oosten, de zon in het westen.
  19. 175 Bloesems duren zeven dagen.
  20. 181 Diepe herfst — mijn buurman, wat doet hij toch?
  21. 209 Zomergras — van de dromen der krijgers, ziedaar wat rest.
  22. 211 Volle maan — heel de nacht liep ik rond de vijver.
  23. 212 Bergpad — een ik-weet-niet-wat ontroerends: een viooltje.
  24. 213 Woeste zee — uitgestrekt over het eiland Sado, de Melkweg.
  25. 214 Geur van pruimenbloesem — en plots rijst de zon boven het bergpad.
  26. 216 Op de dode tak is een kraai neergestreken — herfstavond.
  27. 217 Eerste koude regen — ook de aap zou graag een strooien manteltje willen.
  28. 218 Hoeveel wolkentoppen zijn ingestort — en zie, de berg onder de maan.
  29. 220 De sneeuw is gesmolten — het dorp stroomt vol kinderen.
  30. 224 Wat ziet ze er lekker uit, de vallende sneeuw — vlokkig, donzig.
  31. 225 Junigenregens — tegenover de gezwollen rivier, twee huizen.
  32. 227 Een winde — een enkele bloem, blauw als een diepe kolk.
  33. 228 Het jonge loof heeft alles bedolven — behalve, alleen, de berg Fuji.
  34. 231 Hanenkammen — het moeten er wel veertien of vijftien zijn.
  35. 233 Zomerstorm — alle witte vellen van het bureau weggewaaid.
  36. 234 Hoe diep ik ook doordring, steeds dieper doordring — blauwe bergen.
  37. 281 De sneeuw, de maan, de bloesems.
  38. 286 In de lente is het de dageraad.
  39. 292 Uitkomend op de baai van Tago zie ik: op de hoge top van de Fuji, wit, de sneeuw die nog valt.
  40. 299 Het land is verwoest; de bergen en rivieren blijven.